Hoe het was in Konigsberg en omgeving.

 Bildarchiv Ostpreußen
 Kreisgemeinschaft Wehlau

Geschiedenis:
Middeleeuwen:
Koningsberg werd gesticht als een burcht van de ridders van de Duitse Orde op de plek van het Oud-Pruisische dorpje Twangste in januari 1255. Het eerste fort was van hout, maar werd al in 1257 vervangen door een stenen burcht. De burcht werd vernoemd naar de Boheemse koning Ottokar II, die een bondgenoot in de onderneming was. In de jaren die volgden vestigden zich Duitse kolonisten in het gebied die zich vermengden met de oorspronkelijke Pruisische bevolking. De laatsten assimileerden en namen eerst de Nederduitse en later na de reformatie de Hoogduitse taal over. Het Oudpruisisch, net als Lets en Litouws een Baltische taal, stierf daardoor langzaam uit.
In 1286 kreeg de stad stadsrechten en hoewel de groei van de stad al snel beperkt werd door zijn eigen stadsmuren, verrezen er in het ommeland al snel andere nederzettingen.
In 1300 kreeg ook het nabijgelegen Lbenicht stadsrechten. Hoewel beide steden in principe onafhankelijk waren, vormden zij in praktijk n nederzetting en de naam Koningsberg werd al gauw voor beide steden gezamenlijk gebruikt. In 1327 kreeg een derde nederzetting (Kneiphof) ook stadsrechten, zodat het nu een soort drielingstad was geworden, met drie raadhuizen en drie burgemeesters. Deze merkwaardige toestand zou tot 1724 in stand blijven.
In 1368 trad de stad toe tot het Hanzeverbond en in 1457 werd ze residentie van de Hochmeister van de Duitse orde, nadat het westelijk deel van de Ordensstaat, waarin de oude residentie Marienburg was gelegen, aan Polen was afgestaan.

Nieuwe tijd::
Na de secularisering van de Duitse Orde in de begintijd van de reformatie werd de stad in 1525 residentie van het hertogdom Pruisen. In 1544 werd een universiteit ingericht, die de naam Collegium Albertinum of kortweg Albertina kreeg, naar haar stichter hertog Albrecht van Brandenburg-Ansbach. In 1724 werden de drie steden die Koningsberg vormden en vele eromheen gegroeide dorpen uiteindelijk verenigd tot een bestuurlijk geheel.
Deze verenigde stad is de stad die de filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zijn thuis zou noemen. Hij was hoogleraar aan de befaamde Albertina. De invloedrijke filosoof zou de stad zijn hele leven maar zelden verlaten; hij ligt naar verluidt begraven naast de Dom van Koningsberg, in een speciaal mausoleum, dat echter in de Tweede Wereldoorlog leeggeroofd is.
In de tussentijd was Pruisen een belangrijke macht in Europa geworden die na 1815 vrijwel de gehele Noord-Duitse Laagvlakte van Rusland tot aan de Nederlandse grens zou beheersen.

1815 tot 1950:
In de 19e eeuw werd de stad aanzienlijk vergroot. Het werd een belangrijk oostelijk bastion van het Duitse Keizerrijk.
Na de Eerste Wereldoorlog moest het verslagen Duitsland een flink stuk van zijn oostelijke gebieden afstaan aan het heropgerichte Polen o.a geheel West-Pruisen. Oost-Pruisen, de streek rond Koningsberg, bleef Duits maar was nu door de Poolse Corridor gescheiden van de rest van het land.
Door de isolatie, nog versterkt door het inmiddels vijandige en autoritair geregeerde Polen, stortte de economie van Oost-Pruisen tijdens de crisisjaren nog meer in dan in de rest van Duitsland en hierdoor kregen de nazi's de wind in de zeilen.
De inwoners van Koningsberg stemden al vroeg massaal op Hitlers partij waardoor Oost-Pruisen een van de eerste bolwerken van de nazi's werd.
In de Tweede Wereldoorlog vestigde Hitler zijn militaire hoofdkwartier de Wolfsschanze bij Rastenburg, een plaats niet ver van Koningsberg.
In augustus 1944 werd de binnenstad grotendeels verwoest door Brits-Amerikaanse bombardementen. Adolf Hitler riep de stad in de laatste oorlogsmaanden uit tot vestingstad die tot elke prijs verdedigd moest worden door de inwoners. Maar de meesten van de 370.000 inwoners bleven tegen wil en dank in de stad, omdat de nazi's iedere voor-evacuatie verboden hadden op overtreding stond de doodstraf.
Door de nazi-propaganda waren de Russen altijd al afgeschilderd als nietsontziende beesten, maar inmiddels wisten de meeste Duitse burgers ook af van de wreedheden begaan door de nazi's in Rusland. Algemeen verwachtte men dat de Russen nu verhaal kwamen halen.
De tragedie van Nemmersdorf (een dorp in oostelijk Oost-Pruisen dat eind 1944 door het Rode Leger was bezet maar kort daarop door de Duitsers was heroverd) had volgens de nazi-propaganda aangetoond dat de Russen inderdaad op een niets en niemand ontziende manier wraak kwamen nemen.
De bevolking van het dorp was volgens de nazi-propaganda door de Russen gedeeltelijk en op een beestachtige wijze uitgemoord. Later bleek dat er veel minder mensen waren vermoord en delen van de moorden door de gestapo in scene waren gezet om de impact op de Duitse bevolking te vergroten.
De meeste burgers van Koningsberg ontvluchtten in de laatste maanden van de winter van 1944/1945, toen de nazi's hun ijzeren greep op de bevolking vrijwel verloren hadden, de stad in westelijke richting naar de kust of de nabije havenstad Pillau, waar velen door de Duitse marine over de Oostzee zijn gevacueerd. Wetende dat ieder gewonnen uur het leven van duizenden wanhopige vrouwen, bejaarden en kinderen redde, vocht de Duitse Wehrmacht ter land zeer fanatiek tegen de Russen.
Niettemin kwamen vele vluchtelingen door Russisch (vliegtuig)vuur of door de strenge vorst om het leven. Ook verscheidene met tienduizenden vluchtelingen afgeladen schepen werden op de Oostzee getorpedeerd door Russische duikboten.
Op 6 april 1945 zette het Rode Leger het eind-offensief tegen de stad in, waarna op 9 april de capitulatie volgde.
De commandobunker van de laatste Duitse bevelhebber Otto Lasch is tegenwoordig een toeristische bezienswaardigheid in het centrum van Kaliningrad.
Bij de verovering door de Sovjets waren er nog 150.000 Duitse inwoners in de stad. Van de resterende bevolking kwam in de jaren 1945-1947 het overgrote deel, ongeveer 130.000 mensen, om door honger, ziektes en russische wraakacties.
Het noordelijk deel van Oost-Pruisen met Koningsberg werd vlak na verovering geannexeerd door de Sovjet-Unie.
In 1947 werd door Stalin besloten om de ongeveer 20.000 overgebleven Duitse Koningsbergers eveneens te deporteren naar het westen.
In 1946 werd de stad omgedoopt in Kaliningrad, naar Michail Ivanovitsj Kalinin, de kort tevoren overleden president van de Sovjet-Unie en een trawant van Stalin. Dit ondanks het gegeven dat Kalinin met de stad nooit iets van doen had gehad en er al twee steden naar hem vernoemd waren (Kalinin, nu Tver, en Kaliningrad bij Moskou, nu Koroljov). Na de verdrijving van de Duitse bewoners werd de stad en omgeving herbevolkt door vooral Russen en kleinere groepen van meest Wit-Russen en Oekrainers.

1950 - 1991:
Na de oorlog volgde een snelle wederopbouw, naar Sovjet-Russisch model. Hierbij werd het oude Duitse stratenpatroon grotendeels losgelaten, en werd de bijna volledig verwoeste binnenstad deels herbouwd met grote, grauw-betonnen flatgebouwen. Daarvoor moesten de restanten van de historische bebouwing worden opgeruimd nadat de zwaarste muren, bijvoorbeeld die van het Pruisisch-koninklijke Stadtschloss (in 1968), eerst werden opgeblazen.
In de buitenwijken is meer vooroorlogse bouwsubstantie bewaard gebleven. De kathedraal mocht als waarschuwingssymbool als rune blijven staan, en het graf van Immanuel Kant, dat tegen de buitenmuur was gebouwd, werd in ere hersteld. Kant werd immers gezien als filosofisch inspirator van Karl Marx en Friedrich Engels. De opvallendste nieuwbouw is het 'Huis van de Sovjets', een grauwe leegstaande betonkolos vlak naast de plaats waar voorheen het Stadtschloss stond, de burcht waaromheen de historische stad gegroeid was.
Deze blikvanger heeft in Kaliningrad de bijnaam 'het Monster' verworven.
De stad werd van groot strategisch militair belang als steunpunt voor de Sovjetmacht, vooral voor de marine, met o.a. de marinebasis in Baltisk, het vroegere Pillau.
Kaliningrad was vele jaren een zogenaamde gesloten stad, waar behoudens een paar 'vriendschapsbezoeken' uit het naburige Polen zelden een buitenlander werd toegelaten. De enclave had een voornamelijk militair-strategische betekenis en het ommeland werd dan ook sterk verwaarloosd.
De kolchos-aanpak van de landbewerking richtte grote schade aan in de kleinschalige maar technisch hoogstaande landbouw van het voormalige Oost-Pruisen. Met name in de afwatering werden de oude voorzieningen niet langer in stand gehouden en dat had tot gevolg dat een groot deel van het landbouwareaal in het van oorsprong drassige en laaggelegen land weer in moeras veranderde. Kleine dorpen werden afgebroken of als ruine achtergelaten. Alleen de grootste plaatsen behielden een redelijk bevolkingsniveau, hoewel op een lagere schaal dan voor de oorlog.

1991 - heden:
Pas in 1991 ging de stad weer open, en konden ook de Duitsers haar voor het eerst na ongeveer 45 jaar weer bezoeken. Dit heet in Duitsland 'Heimat-toerisme'. Het na al die tijd weerzien van de sterk veranderde plaats van hun jeugd was voor vele Duitse bezoekers een sterk emotionele ervaring. Van 1993 tot en met 2006 werd de kathedraalruine, hoofdzakelijk dankzij Duits geld, gerestaureerd. De omringende binnenstad bleef voorlopig leeg.
In 2005 werd het 750-jarig bestaan van de stad gevierd. Ter gelegenheid hiervan werd een van de bewaard gebleven stadspoorten, de Knigstor, gerestaureerd. In de afgelopen jaren is er veel aan het stadsbeeld veranderd door een groot aantal nieuwbouwprojecten, waarvan de bouw van de Russisch-orthodoxe Christus-de-Verlosser-Kathedraal het belangrijkste voorbeeld is.
Ten zuiden van de oude kathedraal verrees Fischdorf, een naar oude Duitse voorbeelden gebouwde nieuwe wijk. Op 13 september 2006 gaf de Russische president Poetin het groene licht voor de wederopbouw van de burcht.
Opmerkelijk is dat er sinds ongeveer 1991 een toegenomen aanwezigheid van 'Duitsers' in de stad en omgeving is. Na de Duitse hereniging mochten alle Volksduitsers, uit Oost-Europa die aantoonbaar Duitse voorouders hebben naar Duitsland emigreren/vluchten. Volksduitsers zijn voornamelijk Russen van etnisch Duitse afkomst wier voorouders in de 18de en 19de eeuw als boerenkolonist emigreerden naar Rusland, vooral naar de Oekrane en het Wolgagebied, en onder Stalin bij de nadering van de Duitse legers in 1941 naar Siberi en Kazachstan werden gedeporteerd. Velen van hen uit o.a. Rusland, Kazachstan maar ook uit Polen en Roemenie deden dit maar ook velen konden niet aarden in het 'oude vaderland' door o.a. discriminatie door de 'autochtone' Duitsers die vaak neerkijken op hun verre verwanten.
Sommigen van deze re-emigranten hebben zich tenslotte gevestigd in Kaliningrad en dorpen in de omgeving, waar ze meer dan welkom zijn omdat hier een ernstig tekort aan goede vakarbeiders is. Er zijn heden in de stad diverse verenigingen van Russlanddeutsche.